Lenaerts-Heremans & CoLenaerts-Heremans & Co
Uw contact

nieuwsbrief@lenaerts-heremans.be





ACTUEEL

BEDRIJFSPROFIEL

ACCOUNTANTS

BELASTINGADVISEURS

NIEUWSBRIEF

MEDEWERKERS

JOBS

VERWANTE LINKS

CONTACT

HOME

Nieuwsbrief

Download de Nieuwsbrief Download de Nieuwsbrief

Nieuwsbrief juni 2006




  • Permanente fiscale amnestie

    In de nieuwsbrief van december vorig jaar ('Fiscale amnestie bis: niks nieuws onder de zon ... of toch?') hebben we bericht over het wetsontwerp betreffende een nieuwe fiscale amnestieregeling.

    De Programmawet van 27 december 2005 heeft het stelsel van de fiscale regularisatie1 effectief ingevoerd.

    Het stelsel stelt natuurlijke personen en vennootschappen in staat om sommen, waarden en inkomsten¹ die voorheen niet hun normale belastingregime - op het vlak van de personenbelasting, de vennootschapsbelasting en de BTW - hebben ondergaan, te regulariseren.

    Uit de tekst van de wet blijkt niet duidelijk of de regularisatieregeling ook van toepassing is op de successierechten. In zijn antwoord op een mondelinge vraag van 7 maart 2006 heeft de Minister van Financiën bevestigd dat de regularisatieregeling ook geldt voor de successierechten.

    Ter regularisatie aangeboden sommen, waarden en inkomsten die de aard hebben van beroepsinkomsten worden alsnog onderworpen aan hun normaal belastingtarief van toepassing in het jaar waarin die inkomsten werden behaald. Er wordt geen boete opgelegd.

    Ter regularisatie aangeboden sommen, waarden en inkomsten die niet de aard hebben van beroepsinkomsten (overige inkomsten zoals inkomsten uit roerende beleggingen, inkomsten uit onroerende beleggingen, sommen en waarden voortkomend uit erfenissen) worden alsnog onderworpen aan hun normaal belastingtarief. Er wordt geen boete opgelegd wanneer tot regularisatie wordt overgegaan uiterlijk op 30 juni 2006. Bij regularisaties doorgevoerd in de periode van 1 juli 2006 tot 31 december 2006 wordt het normale tarief bij wijze van boete verhoogd met 5% (voorbeeld 1: rente wordt in de personenbelasting normaal belast tegen 15% zodat het regularisatietarief vanaf 1 juli 20% bedraagt; voorbeeld 2: in de rechte lijn en op de schijf vanaf 250.000 EUR bedraagt het tarief van de successierechten 27% zodat het regularisatietarief vanaf 1 juli 32% bedraagt). Bij regularisaties doorgevoerd vanaf 1 januari 2007 wordt het normale tarief bij wijze van boete verhoogd met 10%.

    Bij de regularisatie van BTW-handelingen is het BTW-tarief van toepassing zoals dat gold in het jaar waarin die handelingen werden gesteld. Er wordt geen boete zoals voorzien in het BTW-Wetboek, opgelegd.

    De fiscale regularisatie biedt het voordeel dat men de geregulariseerde inkomsten zichtbaar kan besteden zonder dat men het risico loopt om te worden betrapt op fiscale fraude. Betrapping die binnen de fiscale verjaringstermijn alsnog zou leiden tot heffing van de ontdoken belasting - vermeerderd met een belastingverhoging van minstens 100%, nalatigheidsintresten en boetes - en tot eventuele strafvervolging ook nadat de fiscale verjaringstermijn is verstreken. Door regularisatie bekomt de belastingplichtige fiscale en strafrechtelijke immuniteit. Althans voor de sommen, waarden en inkomsten die het voorwerp zijn van de regularisatie.

    In tegenstelling tot het stelsel van de Eenmalige Bevrijdende Aangifte (EBA) dat enkel gold in 2004, geldt het stelsel van de fiscale regularisatie onbeperkt in de tijd. Met dien verstande dat elke belastingplichtige natuurlijke persoon (c.q. vennootschap) slechts één kans krijgt - op het moment dat de belastingplichtige het meest geschikt acht - om op het stelsel een beroep te doen voor de regularisatie van de sommen, waarden en inkomsten waarvan de belastingplichtige het totale bedrag vrij kiest. Voor een volgende regularisatie zal de belastingplichtige aangewezen zijn op informele onderhandelingen met de locale inspecteur. Die onderhandelingen zullen niet worden geregeerd door de regels van de fiscale regularisatie in de zin van de Programmawet van 27 december 2005 die hier wordt besproken. Zo zullen dergelijke onderhandelingen nooit kunnen leiden tot strafrechtelijke immuniteit.

    Een vraag is of belastingplichtigen die voor de eerste keer na 30 juni 2006 wensen over te gaan tot de regularisatie van sommen, waarden en inkomsten die niet de aard hebben van beroepsinkomsten, kunnen kiezen tussen (i) de procedure volgens de Programmawet van 27 december 2005 mét standaard tariefverhogingen van 5% c.q. 10% of (ii) informele onderhandelingen - ook over de boete - met de locale inspecteur. Immers, de belastingplichtige zou kunnen hopen dat informele onderhandelingen met de locale inspecteur tot een akkoord leiden dat financieel voordeliger is dan regularisatie volgens de Programmawet van 27 december 2005. Aangenomen mag worden dat de lokale inspecteurs informele onderhandelingen zullen afwijzen bij belastingplichtigen die voor de eerste keer tot regularisatie wensen over te gaan. Evenzeer mag worden aangenomen dat bij onderhandelingen in het kader van een tweede, derde, regularisatie, de lokale inspecteurs zich zullen laten inspireren door het stelsel volgens de Programmawet van 27 december 2005.

    Procedure (art. 124 van de Programmawet van 27 december 2005)

    Er moet een regularisatie-aangifte worden ingediend bij de Federale Overheidsdienst Financiën / Dienst Voorafgaande Beslissingen / Contactpunt Regularisaties te Brussel.

    De aangifte kan worden ingediend door de belastingplichtige zelf of door een gemachtigde zoals een belastingadviseur ingeschreven op de lijst van de externe belastingconsulenten als bedoeld in de wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.

    Nadat de regularisatieheffing is betaald, ontvangt de aangever een regularisatie-attest.

    Ingeval de regularisatie betrekking heeft op sommen, waarden en inkomsten die de aard hebben van beroepsinkomsten, stuurt het Contactpunt Regularisaties een afschrift van het regularisatie-attest aan de locale inspecteur. Aldus verneemt de locale inspecteur de identiteit van de aangever-spijtoptant. Het afschrift wordt toegevoegd aan zijn fiscaal dossier. Hetzelfde geldt voor de regularisatie van BTW-handelingen.

    Ingeval de regularisatie evenwel betrekking heeft op overige inkomsten, ontvangt de locale inspecteur geen afschrift van het regularisatie-attest. De ambtenaren die verbonden zijn aan het Contactpunt Regularisaties zijn gehouden tot beroepsgeheim en mogen de naar aanleiding van de regularisatie verkregen inlichtingen niet bekend maken aan andere diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën.

    Het Contactpunt Regularisaties houdt een lijst bij van de afgeleverde regularisatie-attesten. Een afschrift van deze lijst wordt om de 6 maanden overgemaakt aan de Cel voor de Financi'le Informatieverwerking.


    ¹ Niet voortkomend uit een witwasmisdrijf of een onderliggend misdrijf bedoeld in artikel 3 van de Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financi'le stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.



  • Het stelsel van 'voorafgaande beslissingen in fiscale zaken'

    Het stelsel van 'Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken' (rulings) werd in december 2002 ingevoerd.

    Onder 'voorafgaande beslissing' wordt verstaan: de juridische handeling waarbij de Federale Overheidsdienst Financiën (FOD Financiën) vaststelt hoe de wet zal worden toegepast op een bijzondere situatie of verrichting die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

    De ruling verleent de aanvrager rechtszekerheid ten aanzien van de verrichtingen of situaties die hij aan de 'Dienst voor voorafgaande beslissingen' (rulingdienst) heeft voorgelegd, op voorwaarde dat de aanvrager die verrichtingen of die situaties concretiseert op de manier zoals hij die heeft beschreven. De FOD Financiën verbindt zich onder deze voorwaarde dat de wet zal worden toegepast zoals uiteengezet in de ruling.

    De aanvrager is niet verplicht om de voorgenomen verrichtingen te verwezenlijken. Maar in een ruling van 2 maart jl. heeft de rulingdienst beslist dat een rulingaanvraag niet ontvankelijk is wanneer zij geen betrekking heeft op een concreet project waarvan de verwezenlijking ernstig wordt overwogen. Dit is het geval wanneer de aanvragers niet over de nodige fondsen beschikken om de voorgestelde verrichting te verwezenlijken. Kennelijk wil de rulingdienst vermijden dat zij wordt gebruikt (misbruikt) als een 'studiedienst'.

    Derden (d.i. anderen dan de aanvrager en de FOD Financiën), hoven en rechtbanken zijn door de ruling niet gebonden.

    Inmiddels is - ook uit onze praktijk - gebleken dat het rulingstelsel een succes is en dat de rulingdienst goed werk levert. De rulingdienst doet er gemiddeld (slechts) 3 maanden over om een ruling af te leveren.

    Populaire items van rulingaanvragen zijn, onder meer, interne meerwaarden op aandelen (zie de nieuwsbrief van december vorig jaar: 'Interne meerwaarden op aandelen: rulingcommissie biedt uitweg') en vruchtgebruikconstructies. Verwacht wordt dat in de nabije toekomst ook het stelsel van de notionele intrestaftrek een hot topic zal zijn. Immers, het zal aanvragers sterk interesseren op welke manier de rulingdienst de antirechtsmisbruikbepalingen zal interpreteren en toepassen op structuren gericht op optimalisatie van de notionele intrestaftrek. Overigens raadt de Minister van Financiën himself bij twijfel, een rulingaanvraag aan.

    De rulingdienst heeft de ambitie om in de toekomst de criteria bekend te maken waarmee zij rekening houdt bij de beoordeling van onderwerpen waarmee ze frequent wordt geconfronteerd. Een en ander houdt niet in dat belasting-plichtigen zich zullen kunnen beroepen op 'standaardrulings'. Iedere rulingaanvraag zal blijven leiden tot een individuele beslissing over de toepassing van de belastingwet op een in het vooruitzicht gestelde specifieke verrichting of situatie.



  • Optimale planning dividenduitkering leidt tot hogere notionele intrestaftrek

    Zoals reeds in de vorige edities van deze nieuwsbrief beschreven, beoogt de notionele intrestaftrek de discriminatie tussen de financiering van ondernemingen met eigen vermogen t.o.v. de financiering met vreemd vermogen op te heffen. Daartoe zullen de vennootschappen in hun aangifte vennootschapsbelasting een aftrekpost kunnen opvoeren ten bedrage van 3,442% of 3,942% (voor KMO's) van hun gecorrigeerd eigen vermogen, zoals dat blijkt uit de laatst afgesloten jaarrekening. Vermelde tarieven gelden voor het aanslagjaar 2007 en zullen jaarlijks worden aangepast aan de evolutie van de 10-jaarsrente.

    Via een dividenduitkering kan de algemene vergadering beslissen om een deel van haar eigen vermogen uit te keren aan haar aandeelhouders. De uitkering van dividend beïnvloedt dan ook meteen het bedrag van de notionele intrestaftrek waarop de vennootschap recht heeft.

    We onderscheiden 3 vormen van dividend:

    Het jaardividend: hiertoe wordt besloten door de jaarlijkse (statutaire) algemene vergadering ter gelegenheid van de goedkeuring van de jaarrekening over het afgelopen boekjaar.

    Het tussentijds dividend: hiertoe kan op elk ogenblik van het boekjaar worden besloten door een bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders. De uitkering dient voort te komen uit de beschikbare reserves en de overgedragen winsten, zoals die blijken uit de laatst goedgekeurde jaarrekening.

    Het interimdividend: in de NV kunnen de statuten aan de raad van bestuur de bevoegdheid verlenen om op het resultaat van het lopende boekjaar reeds een dividend uit te keren. Tot uitkering van een interimdividend mag niet eerder worden besloten dan 6 maanden na afloop van het vorige boekjaar en binnen 2 maanden na opstelling van een nieuwe staat van activa en passiva.

    Deze verschillende vormen van dividenduitkering hebben onderscheiden implicaties op het bedrag van de notionele intrestaftrek, waarop de vennootschap recht heeft. In hetgeen volgt, gaan we ervan uit dat de vennootschap haar boekjaar afsluit per 31 december.

    Indien de jaarlijkse statutaire algemene vergadering (stel op 15 juni 2006) beslist tot uitkering van een dividend, dient dit jaardividend nog te worden verwerkt in de jaarrekening per 31 december 2005. Hierdoor verlaagt het eigen vermogen per 31 december 2005 en dus meteen de berekeningsgrondslag van de notionele intrestaftrek voor het hele boekjaar 2006. Bij een eigen vermogen van 1.000.000 EUR en een dividenduitkering van 400.000 EUR, bedraagt de notionele intrestaftrek voor 2006 dan ook: (1.000.000 - 400.000) x 3,942% = 23.652 EUR

    Indien de jaarvergadering niet beslist tot uitkering van een jaardividend, doch een bijzondere algemene vergadering enkele dagen later (stel op 20 juni 2006) wel beslist tot uitkering van een tussentijds dividend, blijft het eigen vermogen per 31 december 2005 onaangeroerd. De wijziging van het eigen vermogen geldt voor de berekening van de notionele intrestaftrek slechts vanaf de maand volgend op de uitkering van de reserves. In ons voorbeeld bedraagt de notionele intrestaftrek voor 2006 alsdan: (1.000.000 - (400.000 x 6/12)) x 3,942% = 31.536 EUR

    Voor de aandeelhouder verandert er in feite niets. Hij ontvangt zijn dividend op vrijwel dezelfde dag. Bij een tussentijds dividend i.p.v. een jaardividend heeft de vennootschap evenwel recht op een veel hogere notionele intrestaftrek.

    Indien de beslissing tot uitkering van een tussentijds dividend wordt genomen in december 2006, behoudt de vennootschap het volledige recht op notionele intrestaftrek voor het boekjaar 2006 (de correctie van het eigen vermogen vindt immers slechts plaats op 1 januari 2007): 1.000.000 x 3,942% = 39.420 EUR

    Hetzelfde resultaat wordt bekomen bij de uitkering van een interimdividend uit de winst van het lopende boekjaar. Deze winstuitkering zal slechts invloed hebben op de grootte van het eigen vermogen op de afsluitdatum van het lopende boekjaar (per 31 december 2006). Alsdan behoudt de vennootschap dan ook haar volledig recht op notionele intrestaftrek voor 2006: 1.000.000 x 3,942% = 39.420 EUR

    Zoals aangestipt, is een interimdividend alleen mogelijk in een NV en onderworpen aan diverse formaliteiten.



  • Subsidies in Vlaanderen / de Vlaamse groeipremie

    Dit artikel beoogt u vooreerst een overzicht te bezorgen van een aantal interessante overheidsstimuli voor ondernemingen in Vlaanderen, in het bijzonder voor KMO's.

    Vervolgens bespreken we in deze en in de volgende nieuwsbrieven één of meerdere van deze stimuli meer in detail. Zo komt in deze nieuwsbrief de Vlaamse groeipremie aan de orde.

    Overzicht

    De stimuli die werden opgenomen, werden geselecteerd in functie van hun mogelijke relevantie voor de lezers van deze nieuwsbrief. Het onderstaande overzicht streeft bijgevolg geenszins volledigheid na.
    1. De Vlaamse Groeipremie: geldelijke subsidie van 5 of 10% van de gedane investering voor KMO's.
    2. De ondernemingsportefeuille: tegemoetkoming door de overheid van 1/3 van de kostprijs van opleiding en advies voor ondernemingen.
    3. De win-win-lening: fiscale tegemoetkoming voor leningen door particulieren aan ondernemingen.
    4. Starteo/Optimeo: achtergestelde overheidsleningen aan KMO's.
    5. Verstrekking van groeikapitaal aan ondernemingen via de Investeringsmaatschappij Vlaanderen.
    6. Arkimedes-fonds: verstrekking van risicokapitaal aan KMO's.
    7. De Waarborgregeling: borgstelling door de overheid voor ondernemingskredieten.
    Meer informatie over deze en nog vele andere subsidieregelingen vindt u op de website 'www.vlaanderen.be/subsidiewegwijzer'.

    De Vlaamse groeipremie

    In het Vlaams Gewest kunnen ondernemingen die een investering plannen, mogelijk aanspraak maken op een financi'le tegemoetkoming van de Vlaamse overheid, genaamd de "groeipremie".

    Het systeem werkt met 'calls'. Dit betekent dat de overheid ongeveer om de drie maanden een budget ter beschikking stelt en de ondernemingen 'oproept' om een verzoek tot subsidi'ring in te dienen. Zo loopt de volgende 'call' om een aanvraag in te dienen tot 30 juni 2006.

    Er zijn een aantal voorwaarden waaraan de onderneming en de investering moeten voldoen om in aanmerking te komen:
    1. M.b.t. de onderneming
      • het moet gaan om een kleine of een middelgrote onderneming
      • die geen overheidsparticipatie heeft van 25% of meer
      • die geen VZW is
      • die nog geen overheidssteun heeft ontvangen voor dezelfde investering
      • die een hoofdactiviteit uitoefent die aanvaardbaar is (zie lijst met NACE-codes op de website 'http://groeipremie.vlaanderen.be')
      • die geen achterstallige schulden heeft bij de RSZ of de Belastingdienst voor Vlaanderen


    2. M.b.t. de investering
      • deze mag niet gestart zijn voor de indieningsdatum van de steunaanvraag
      • de investering moet binnen 3 jaar na de beslissingsdatum tot toekenning van de premie gerealiseerd zijn
      • het moet gaan om een minimuminvestering van 12.500 EUR voor ondernemingen die maximaal 5 jaar oud zijn en 25.000 EUR voor ondernemingen ouder dan 5 jaar
      • de investering mag maximaal 8.000.000 EUR bedragen
      • de investering moet worden afgeschreven over een termijn van minstens 3 jaar
      • de investering moet verworven worden tegen marktvoorwaarden van derden
    Kleine ondernemingen kunnen een premie verkrijgen ten bedrage van 10% van het investeringsbedrag na afschrijvingsaftrek. De afschrijvingsaftrek is gelijk aan 10% van de totale afschrijvingen van de afgelopen 3 jaar. Middelgrote ondernemingen kunnen een premie verkrijgen ten bedrage van 5% van het investeringsbedrag, ook weer na afschrijvingsaftrek.

    Ook als men aan deze criteria voldoet, is het nog niet zeker dat men effectief een overheidspremie zal krijgen. Het systeem werkt immers zo dat aan elke investering, waarvoor een premie werd aangevraagd, een aantal punten wordt toegekend: onder andere in functie van de tewerkstelling in de onderneming, het aantal milieucertificaten waarover de onderneming beschikt, de ouderdom van de onderneming (ouder dan 5 jaar is nul punten), het al dan niet hebben van een interactieve website, enz...

    De investeringen met de hoogste score krijgen eerst een premie en zo gaat men voort tot het vooraf bepaalde budget van de overheid is uitgeput.

    Een volledig overzicht van de kenmerken waarop punten gescoord kunnen worden, vindt u op hoger vermelde website.



  • Belastingvoordelen bij aankoop van een woning in Vlaanderen

    Het registratierecht bij de verkoop van onroerende goederen gelegen in het Vlaams Gewest (verder 'verkooprecht') bedraagt thans 10%. Voor bescheiden woningen wordt het tarief verlaagd tot 5%. Het verkooprecht is verschuldigd op de tussen partijen overeengekomen prijs. De heffingsgrondslag mag echter niet lager zijn dan de verkoopwaarde van het onroerend goed.

    Via haar Decreet van 1 februari 2002 heeft de Vlaamse regering 2 gunstregimes ingevoerd teneinde de aankoop van een woning (dienende als hoofdverblijfplaats) in het Vlaams Gewest te bevorderen: enerzijds het abattement bedoeld voor personen die voor het eerst een woning verwerven en anderzijds het stelsel van de meeneembaarheid voor personen die hun huidige woning verkopen en een nieuwe woning aankopen.

    Het abattement

    Wanneer een natuurlijk persoon in het Vlaams Gewest een woning of bouwgrond aankoopt, waar hij zijn hoofdverblijfplaats zal vestigen, geniet hij onder voorwaarden (zie verder) een vermindering van de heffingsgrondslag van het verschuldigd verkooprecht met 12.500 EUR. Het financieel voordeel bedraagt dan 1.250 EUR.

    Voorbeeld 1 :
    Aankoop van een eerste woning voor 200.000 EUR


    Normaal verschuldigd verkooprecht
    (200.000 x 10%) 20.000
    Abattement (12.500 x 10%) (1.250)
    Effectief verschuldigd verkooprecht 18.750

    Wanneer meerdere personen samen een woning verwerven, kunnen zij ieder voor hun aandeel in de koopprijs het abattement genieten. Wanneer echtgenoten samen de vermelde woning verwerven, daalt het verkooprecht dan ook naar 17.500 EUR.

    Het stelsel van de meeneembaarheid

    Dit stelsel komt erop neer dat het verkooprecht betaald bij de aankoop van de vorige hoofdverblijfplaats onder bepaalde voorwaarden (zie verder) wordt in mindering gebracht op het verschuldigde verkooprecht bij de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats. Het te verrekenen bedrag bedraagt maximaal 12.500 EUR en kan nooit aanleiding geven tot een teruggaaf.

    Er bestaan twee systemen naargelang de verkoop van de vorige woning de aankoop van de nieuwe woning al dan niet voorafgaat.

    1) Meeneembaarheid door verrekening

    Dit stelsel geldt wanneer de vorige woning wordt verkocht vooraleer de nieuwe woning wordt aangekocht. Het over de aankoop van de vorige woning betaalde verkooprecht wordt verrekend met het verschuldigde verkooprecht over de aankoop van de nieuwe woning.

    Voorbeeld 2 :
    Aankoop nieuwe woning van 200.000 EUR; betaald verkooprecht bij de aankoop van de vorige woning 14.000 EUR


    Berekening verkooprecht op aankoop nieuwe woning:
    Normaal verschuldigd verkooprecht
    (200.000 x 10%) 20.000
    Meeneembaarheid
    (14.000, beperkt tot 12.500 EUR) (12.500)
    Effectief verschuldigd verkooprecht 7.500

    2) Meeneembaarheid door teruggaaf

    Dit stelsel geldt wanneer de nieuwe woning wordt aangekocht vooraleer de vorige woning is verkocht. Bij de verkoop van de vorige woning binnen een termijn van maximaal 2 jaar na de aankoop van de nieuwe woning, wordt het betaalde verkooprecht bij de aankoop van de vorige woning (gedeeltelijk) teruggegeven.

    Voorbeeld 3 :
    aankoop nieuwe woning van 300.000 EUR; 1 jaar later verkoop van vorige woning, waarvoor bij de aankoop 20.000 EUR verkooprechten werden betaald


    Verkooprecht bij aankoop nieuwe woning
    30.000
    Teruggaaf verkooprecht bij verkoop vorige woning
    (12.500)
    Per saldo betaald over aankoop nieuwe woning
    17.500

    Voorwaarden

    Zowel het abattement als de meeneembaarheid (door verrekening dan wel door teruggaaf) zijn onderworpen aan een aantal voorwaarden, zoals onder meer:

    1) De stelsels gelden enkel voor natuurlijke personen. Wanneer een natuurlijk persoon samen met een vennootschap een woning aankoopt bestemd als hoofdverblijfplaats, kan hij alsnog het voordeel genieten weliswaar beperkt tot zijn aandeel in de aangekochte woning.

    2) Het moet gaan om onroerende goederen die aangewend of bestemd zijn tot hoofdverblijfplaats van de koper en deze moeten in het Vlaams Gewest zijn gelegen. De koper moet binnen 2 jaar zijn hoofdverblijfplaats vestigen in de gekochte woning (bij aankoop van een bouwgrond binnen 5 jaar).

    3) Voor de meeneembaarheid door verrekening dient de aankoop van de nieuwe woning binnen 2 jaar na de verkoop van de vorige woning plaats te vinden. Voor de meeneembaarheid door teruggaaf dient de verkoop van de vorige woning plaats te vinden binnen 2 jaar na de aankoop van de nieuwe woning (binnen 5 jaar als het om de aankoop van een bouwgrond gaat).

    4) Er moeten een aantal vormvoorwaarden worden vervuld. Zo dient in de akte van aankoop (of in de akte van verkoop in geval van meeneembaarheid door teruggaaf) expliciet om toepassing van het abattement of het stelsel van meeneembaarheid te worden verzocht.



  • Europees Hof van Justitie volgt Advocaat-generaal

    Zoals reeds in onze vorige nieuwsbrief vermeld, was het na het advies van de Advocaat-generaal in de zaak van Hilten bang afwachten of het Europees Hof van Justitie hem zou volgen. Inmiddels heeft het Hof van Justitie in haar arrest van 23 februari 2006 de conclusie van de Advocaat-generaal bevestigd: de 10-jaarstermijn, op grond waarvan de nalatenschap van een Nederlander die nog geen 10 jaar uit Nederland weg is, onderworpen blijft aan Nederlandse successierechten, is niet strijdig met het EG-recht.

    Bijgevolg blijven bij overlijden van een Nederbelg binnen de tienjaarstermijn, zijn erfgenamen verplicht ook een volledige successie-aangifte in Nederland in te dienen. Weliswaar zullen zij bij de berekening van de Nederlandse successierechten de in BelgiÎ betaalde successierechten in aftrek kunnen brengen, toch blijft een risico van dubbele belasting bestaan.

    Eenzelfde 10-jaarstermijn is voorzien in het Nederlandse schenkingsrecht. Bijgevolg dient de Nederbelg nog steeds 10 jaar te wachten alvorens hij via fiscaal vriendelijke schenkingen een estate-planning kan opzetten.

    De in het Nederlandse schenkings- en successierecht voorziene woonplaatsfictie geldt niet meer wanneer de Nederbelg de Nederlandse nationaliteit verliest. Misschien toch maar overwegen om Belg te worden ?



  • Tenslotte...