Lenaerts-Heremans & CoLenaerts-Heremans & Co
Uw contact

nieuwsbrief@lenaerts-heremans.be





ACTUEEL

BEDRIJFSPROFIEL

ACCOUNTANTS

BELASTINGADVISEURS

NIEUWSBRIEF

MEDEWERKERS

JOBS

VERWANTE LINKS

CONTACT

HOME

Nieuwsbrief

Download de Nieuwsbrief Download de Nieuwsbrief

Nieuwsbrief december 2013







  • PERSONENBELASTING

    Nieuw verlaagd tarief dividenden KMO’s

    In onze vorige nieuwsbrief meldden wij reeds dat de regering werkte aan een nieuwe ‘VVPR-regeling’. De definitieve regeling is als onderdeel van de Programmawet van 28 juni 2013 in het Belgisch Staatsblad van 1 juli gepubliceerd. Even opfrissen. Toen de regering met ingang van 1 januari 2013 het belastingtarief op (de meeste) roerende inkomsten verhoogde naar 25 %, betekende dit meteen het einde van de zogenaamde ‘VVPR’-regeling (‘VVPR’ staat voor ‘verlaagde voorheffing’ / ‘précompte réduit’), waarbij aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 onder bepaalde voorwaarden een verminderde bronheffing van 15 % konden genieten.

    Maar slechts enkele maanden later stelde de regering vast dat KMO’s moeilijk aan krediet geraken in het huidig economisch klimaat (dat was nochtans niets nieuws) en werd het wenselijk geacht om risicokapitaal te stimuleren door het belastingtarief op dividenden opnieuw te verlagen naar 15 %. Dit tarief is enkel van toepassing op dividenden verbonden aan aandelen die zijn uitgegeven naar aanleiding van een inbreng in geld vanaf 1 juli 2013. Ook hier werd een wachttermijn voorzien en gelden een aantal anti-misbruikbepalingen. Dienaangaande verwijzen wij naar onze nieuwsflash van 7 augustus 2013.

    Resultaat van dit alles is dat de bestaande KMO’s de klos zijn. Zoals gezegd geldt de nieuwe regeling enkel voor inbrengen vanaf 1 juli 2013. Wie vandaag voor het eerst een activiteit start onder vennootschapsvorm, zal gebruik kunnen maken van de nieuwe regeling. Maar voor bestaande ondernemingen liggen de zaken heel wat moeilijker. Een kapitaalverhoging heeft tot gevolg dat slechts op een gedeelte van het dividend het verlaagd tarief kan toegepast worden. Beschikt de vennootschap over veel opgepotte reserves, dan is een wel erg substantiële kapitaalverhoging nodig opdat het de moeite waard zou zijn. Bij het bepalen van het aantal nieuw uit te geven aandelen, zal immers rekening moeten gehouden worden met de werkelijke waarde van de vennootschap. Ook het verschuiven van activiteiten naar een nieuwe vennootschap houdt risico’s in. Wij bespreken graag de voordelen en nadelen tijdens een persoonlijk gesprek.

    Uiteraard staat het verlaagd tarief ook open voor Belgische rijksinwoners die over een vennootschap in het buitenland beschikken. Na inhouding van buitenlandse bronbelasting (doorgaans geplafonneerd op 15 %), zijn zij op het netto ontvangen dividend immers nogmaals 25 % Belgische personenbelasting verschuldigd. Echter, in de mate dat het dividend kwalificeert onder de nieuwe ‘VVPR-regeling’, kan dit tarief verminderd worden tot 15 %.


    Dienstencheques worden weer duurder

    Vanaf 1 januari 2014 stijgt de aankoopprijs van een dienstencheque van 8,50 naar 9 EUR, en dit voor de eerste 400 dienstencheques die u per kalenderjaar aanschaft. Boven dit plafond kan u nog maximaal 100 dienstencheques aanschaffen aan een prijs van 10 EUR per cheque. Als gezin moet u voor de eerste 800 dienstencheques dus 9 EUR betalen en 10 EUR voor de volgende 200. Bovendien kan u de dienstencheques die u aankocht of omruilde tussen 1 september 2013 en 31 december 2013, slechts tot 30 april 2014 gebruiken, laten omruilen of laten terugbetalen.

    Zoals u in onze nieuwsflash (6 september 2013) hebt kunnen lezen, verlaagde reeds het belastingvoordeel van de dienstencheques. Met ingang van 1 juli 2013 bedraagt het maximale bedrag aan uitgaven voor dienstenscheques (en PWA-cheques), dat in aanmerking kan genomen worden voor de belastingvermindering van 30%, nog slechts 1.380 EUR per belastingplichtige. Concreet betekent dit dat, wanneer u vier uur per week beroep doet op een poetshulp, u per jaar meer dienstencheques zal nodig hebben dan u fiscaal kan inbrengen. Het maximumbedrag van EUR 1.380 EUR zal zo immers overschreden worden.

    Een voorbeeld voor 2014: 52 weken x 4 dienstencheques/week x 9 EUR per cheque = 1.872 EUR

    Vermits het maximumbedrag van 1.380 EUR van toepassing is per belastingplichtige (per echtgenoot/wettelijk samenwonende), laat u uw partner best ook een dienstencheque-overeenkomst afsluiten. Door elk de helft van de benodigde dienstencheques aan te kopen, kan u maximaal gebruik maken van de fiscale aftrek.


    Belastingstelsel liquidatieboni

    In onze vorige nieuwsbrief maakten wij reeds melding van de aangekondigde verhoging van het belastingtarief op liquidatieboni. De definitieve regeling is als onderdeel van de Programmawet van 28 juni 2013 in het Belgisch Staatsblad van 1 juli gepubliceerd. Ter herinnering, de maatregel voorziet in een verhoging van het belastingtarief op liquidatieboni van 10 % naar 25 % en dit met ingang van 1 oktober 2014. Echter, om te vermijden dat ondernemers vroegtijdig hun vennootschap zouden opdoeken (wat haaks zou staan op het idee om langer aan de slag te blijven), werd voorzien in een overgangsregeling waarbij de bestaande reserves kunnen worden ‘vastgeklikt’ tegen het huidige tarief van 10 % middels incorporatie in kapitaal. Tot daar lijkt de regeling eenvoudig en rechtvaardig, maar dit is slechts schone schijn.

    Vanuit technisch oogpunt is de regeling allerminst eenvoudig, terwijl het wachten was tot 1 oktober voor enige duiding vanwege de belastingdienst. Op conceptueel vlak is de regeling ook helemaal niet rechtvaardig. Het ware immers perfect mogelijk geweest om later, op het ogenblik van daadwerkelijke vereffening, te differentiëren in het toepasselijke tarief, waarbij reserves tot op datum van (bijvoorbeeld) 31 december 2011 zouden belast worden aan 10 % en de overige (latere) reserves aan 25 %. Niets daarvan: in lijn met tal van andere maatregelen die eerder werden getroffen, zal ondernemend België het gat in de begroting moeten dichtfietsen. Wie de bestaande reserves wil vastklikken, zal deze eerst als dividend moeten ‘uitkeren’ en daarop nu reeds 10 % belasting betalen. Vervolgens wordt het netto-dividend ingebracht in kapitaal, wat minstens een notariële akte veronderstelt en in vele gevallen ook nog een verslag van een bedrijfsrevisor. De lobbymachine draait intussen (zij het rijkelijk laat) op volle toeren, maar lijkt zich ertoe te beperken extra tijd te kopen om de hele papierwinkel rond te krijgen zonder aan het concept zelf te raken. Zo werd intussen een verlenging bekomen van de termijn van de formalisatie van de incorporatie in kapitaal.

    Voor een nadere bespreking van de regeling verwijzen wij naar onze digitale nieuwsflash van 7 augustus 2013. Of het in uw geval wenselijk is om de vennootschap daadwerkelijk te vereffenen dan wel gebruik te maken van de overgangsregeling of helemaal niets te doen, hangt af van tal van factoren. Wij bekijken dit graag met u tijdens een persoonlijk gesprek.

    Hoewel sommige aspecten van de regeling geschreven zijn op maat van Belgische vennootschappen is de regeling ook van toepassing voor Belgische rijksinwoners die eigenaar zijn van een buitenlandse vennootschap. Wij denken hierbij inzonderheid aan de talrijke Nederbelgen die vaak nog actief zijn in Nederland. Gelet op de noodzaak om de bestaande reserves uit te keren als dividend en deze vervolgens te incorporeren in het kapitaal van de vennootschap, is het van belang om de fiscale en juridische gevolgen daarvan te laten bekijken door uw lokale adviseur. Gelet op enkele specifieke technische aspecten is een goede communicatie met Lenaerts-Heremans primordiaal!


    Melding ‘private vermogens-structuren’

    Dat de fiscus een toenemende interesse heeft om uw fiscale handel en wandel in kaart te brengen, is een open deur intrappen. De verplichting om in de aangifte personenbelasting het bestaan te vermelden van buitenlandse rekeningen dateert intussen van 1997. In de aangifte van 2013 moest voor de eerste keer ook het bestaan van buitenlandse levensverzekeringen gemeld worden. En vanaf volgend jaar komen daar ook de ‘private vermogensstructuren’ bij. Dit volgt uit de “Wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen”, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2013.

    De meldingsplicht viseert niet enkel de oprichter van de juridische constructie maar ook de begunstigde of potentieel begunstigde. Wat hieronder dient begrepen te worden, is voorlopig koffiedik kijken. Indien u oprichter bent van bv. een Antilliaanse stichting, moeten dan al uw in België wonende kinderen het bestaan daarvan melden in hun aangifte (mits zij er weet van hebben), omdat zij nu eenmaal als (potentieel) erfgenaam ook potentieel begunstigde zijn?

    Deze nieuwe meldingsplicht kadert in een uitbreiding van de Europese Bijstandsrichtlijn. Mocht u er nog aan twijfelen, fraudebestrijding staat nu ook hoog op de internationale agenda. Dat hoeft niet te verbazen gezien de lamentabele toestand van de overheidsfinanciën in veel landen. De kans dat uw vermogen en de daaruit voortvloeiende inkomsten nog aan het oog van de Belgische fiscus kunnen worden onttrokken, wordt alsmaar kleiner.


    Kostenvergoeding voor buitenlandse dienstreizen

    De werkgever/vennootschap kan belastingvrij een forfaitaire dagvergoeding betalen aan de werknemer/bedrijfsleider voor buitenlandse dienstreizen. Deze vergoeding is als kost eigen aan de werkgever, fiscaal aftrekbaar in hoofde van de werkgever/vennootschap en niet belastbaar in hoofde van de werknemer/bedrijfsleider. Deze forfaitaire dagvergoedingen worden geacht de kosten van maaltijden en andere ‘kleine uitgaven’ te dekken (zoals plaatselijke vervoerskosten, fooien en lokale telefoongesprekken), met uitsluiting van de overnachtingskosten en de verplaatsings- of reiskosten naar het buitenland en terug. Om te bepalen welke bedragen aanvaardbaar zijn in de privésector, kan u een beroep doen op de laatst gepubliceerde landenlijst van toepassing vanaf 1 april 2013 die is opgesteld voor de ambtenaren van de FOD Buitenlandse Zaken (met een minimumgrens van 37,18 EUR).

    Tot nog toe was deze forfaitaire dagvergoeding enkel mogelijk voor buitenlandse dienstreizen van korte duur (minder dan 30 opeenvolgende dagen). Indien de dienstreis langer dan 30 dagen duurde, konden enkel de kosten die werden verantwoord door het overleggen van bewijsstukken als de terugbetaling van een kost eigen aan de werkgever/vennootschap worden aangemerkt. De Administratie aanvaardt sinds 10 oktober 2013 dat nu ook voor ‘langdurige’ reizen dezelfde belastingvrije ‘forfaitaire’ kostenvergoedingen kunnen worden betaald als de vergoedingen die de FOD Buitenlandse Zaken aan zijn personeelsleden op buitenlandse dienstreis betaalt (Circulaire nr. Ci.RH.241/609.972). Deze forfaits stemmen overeen met de lagere vergoedingen die aan de “agenten op post” (categorie 2 van de landenlijst) worden toegekend (ook met een minimumgrens van 37,18 EUR). Onder ‘langdurig’ wordt verstaan: “de verblijven die voor eenzelfde opdracht meer dan 30 opeenvolgende kalenderdagen betreffen met een maximum van 24 maanden”. De periodes die betrekking hebben op de eventueel door de belastingplichtige vrijwillig gemaakte verblijfsverlenging worden niet meegeteld.

    Merk op dat de administratieve regel van ‘vaste’ plaats van tewerkstelling (nl. de plaats waar een werknemer gedurende 40 dagen of meer aanwezig is) niet van toepassing is op de buitenlandse dienstverblijven van meer dan 30 dagen. Het feit dat u de 40 dagen-grens overschrijdt in het kader van een buitenlandse reis, verhindert dus niet dat er nog altijd sprake is van een ‘dienstreis’ (en niet van een ‘woon-werkverplaatsing’ waarvan de kosten eigen zijn aan de werknemer).



  • VENNOOTSCHAPSBELASTING

    Fairness tax

    Sinds deze zomer kent België ook een zogenaamde ‘Fairness tax’ (Wet van 30 juli 2013, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2013). De ‘Fairness tax’ heeft tot doel om winsten te belasten die worden uitgekeerd als dividend, maar die niet worden belast als gevolg van de toepassing van de notionele interestaftrek en/of de verrekening van overgedragen verliezen. De regeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2014 (boekjaar eindigend op 31 december 2013 of later).

    Eens te meer blijkt dat de zomermaanden een uitgelezen moment zijn om nieuwe belastingen zonder al teveel protest door te drukken. Of de ‘Fairness tax’ zo fair is als de benaming doet uitschijnen is nog maar de vraag. Wat wel vaststaat is dat de regeling een zoveelste aanslag betekent op de notionele interestaftrek. Bovendien heeft de regeling enkele ongewenste neveneffecten.

    De belasting is niet enkel van toepassing op Belgische vennootschappen, maar ook (middels een fictiebepaling) op Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen. Voorwaarde is wel dat het om grote vennootschappen gaat (criteria artikel 15 W. Venn.). Het tarief bedraagt 5,15 % (inclusief crisisbijdrage). Tegen de Fairness tax kunnen geen fiscale aftrekken worden afgezet. De tax vormt dus een minimum belastbare basis, zoals intussen ook al het geval is voor de meerwaardebelasting van 0,412 % op aandelen en de verworpen uitgave met betrekking tot 17 % van het voordeel van alle aard inzake bedrijfswagens.

    De berekening van de belastbare basis is eerder complex zodat een bespreking ervan niet past binnen het korte bestek van dit artikel. Aarzel niet om met ons contact op te nemen mocht u dienaangaande vragen hebben.

    Tot slot nog dit: in plaats van beperkingen door te voeren op het niveau van de geviseerde aftrekken zelf, werd gekozen voor een afzonderlijke aanslag (niet aftrekbaar als beroepskost) die enkel geldt wanneer de vennootschap een dividend uitkeert. Daarmee rijst meteen de vraag of de Fairness tax niet strijdig is met de Europese Moeder-Dochterrichtlijn. Verder kan men zich ook vragen stellen aangaande de verenigbaarheid met het Belgisch grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en de belastingverdragen. Wordt ongetwijfeld vervolgd


    Opnieuw investeringsaftrek voor KMO’s

    Met de invoering van de notionele intrestaftrek, sinds aanslagjaar 2007, werd de gewone investeringsaftrek op non-actief gezet. Echter, met ingang van 1 januari 2014 wordt deze investeringsaftrek opnieuw ingevoerd voor kleine ondernemingen (in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen). De maatregel zal voorlopig enkel gelden voor een periode van twee jaar. Het tarief zal 4% bedragen, wat concreet betekent dat kleine ondernemingen die in 2014 en/of 2015 investeren in nieuwe materiële of immateriële vaste activa, 4% van de aanschaffings- of beleggingswaarde van deze activa kunnen aftrekken van de belastbare winst, wanneer voldaan is aan de wettelijke voorwaarden. Naast de klassieke activa die worden uitgesloten van de investeringsaftrek zal rekening moeten gehouden worden met een bijkomende vereiste, namelijk dat de vaste activa rechtstreeks verband moeten houden met de bestaande of geplande economische activiteit die door de vennootschap werkelijk wordt uitgeoefend. Het is daarbij niet voldoende dat de investering kadert in het maatschappelijk doel van de vennootschap. De memorie van toelichting verduidelijkt dat om deze reden ook de aankoop of oprichting van een woning voor de zaakvoerder en zijn gezin niet in aanmerking komt voor de investeringsaftrek. Tenslotte moet opgemerkt worden dat de investeringsaftrek niet gecombineerd kan worden met de notionele intrestaftrek en er dus slechts voor één van beide aftrekken kan geopteerd worden.



  • BTW

    Nieuwe regeling opeisbaarheid BTW: verlenging overgangsregeling voor 2014

    Met de Wet van 17 december 2012 werd de uitreiking van een factuur als subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de BTW geschrapt (cfr. Nieuwsbrief december 2012). Dit had tot gevolg dat alleen de levering van een goed, de voltooiing van een dienst of de betaling van een voorschot, de BTW opeisbaar maakten (en dus niet langer gewerkt mocht worden met voorschotfacturen). Deze regeling zou in principe in werking treden op 1 januari 2013 doch omdat er nog zoveel onduidelijkheid bestond over de praktische gevolgen van de regeling, werd, in afwachting van een beslissing die verduidelijking zou brengen, een overgangsregeling ingevoerd voor het jaar 2013. De verwachte beslissing is er echter nog steeds niet. Daarom heeft de Minister beslist dat de overgangsregeling zal worden verlengd tot en met 31 december 2014. Dit blijkt uit een Beslissing van 22 november 2013. Bovendien eindigt de Beslissing met de mededeling dat “verder overleg wordt gepleegd met de sector om te onderzoeken of er ook ná 31 december 2014 maatregelen kunnen worden getroffen opdat de ondernemingen zo min mogelijk administratieve last ondervinden van deze nieuwe regelgeving”.


    BTW-aftrek op gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen: nieuw addendum

    Met een Beslissing van 9 september 2013 (Beslissing BTW nr. E.T. 119.650/4) voegt de administratie een tweede addendum toe aan haar oorspronkelijke beslissing inzake de nieuwe regeling BTW-aftrek op gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen (die reeds in werking is sinds 1 januari 2011). Kort gezegd komt deze nieuwe regeling er enerzijds op neer dat voor gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen slechts BTW-aftrek mogelijk is in de mate van het werkelijk beroepsgebruik en dat anderzijds voor het privégebruik geen BTW meer moet gerekend worden op het voordeel alle aard (zie ook BTW-flash 16 januari 2013). Met het nieuwe addendum tracht de administratie nog één en ander te verduidelijken en te vereenvoudigen. Bovendien wordt een aparte regeling ingevoerd voor fiscale lichte vrachtwagens.

    Vooreerst voert het nieuwe addendum een aantal definities in, onder meer voor de begrippen ‘vervoermiddelen’ en ‘woon-werkverkeer’. Specifiek m.b.t. dit laatste wordt verduidelijkt dat een werf, een adres van een klant of leverancier, ... nooit kan worden aangemerkt als vaste plaats van tewerkstelling van waaruit de economische activiteit wordt uitgeoefend (i.t.t. de inkomstenbelastingen waar dit voor de berekening van het woon-werkverkeer wél het geval is wanneer een werknemer meer dan 40 dagen per kalenderjaar op zulk adres aanwezig is).

    Wat betreft de drie methodes, die werden ingevoerd om het privégebruik van gemengd gebruikte bedrijfswagens te bepalen, tracht de administratie een vereenvoudiging in te voeren door toe te staan dat de derde methode (de ‘forfaitaire methode’: BTW-aftrek steeds beperkt tot 35%) door alle belastingplichtigen mag worden toegepast. De voorwaarde die voor toepassing van deze ‘forfaitaire methode’ werd op opgelegd door het eerste addendum, namelijk dat de BTW-plichtige over minstens vier wagens moest beschikken, wordt bijgevolg geschrapt. Tenslotte wordt een aparte regeling ingevoerd voor BTW-aftrek op fiscale lichte vrachtwagens die overwegend beroepsmatig worden gebruikt. Op grond van deze nieuwe ‘methode 4’ mag een forfaitaire BTW-aftrek van 85% worden toegepast.


    Verbeteringswerken uitgevoerd door de huurder in ruil voor huurvrijstelling: BTW verschuldigd

    In de praktijk zien we dat soms in een huurovereenkomst overeengekomen wordt dat de huurder bepaalde verbeteringswerken dient uit te voeren aan het gehuurde goed in ruil voor een bepaalde periode huurvrijstelling. Gebruikelijk ziet de BTW-administratie dit als een dienstprestatie waarover BTW verschuldigd is. De BTW-administratie beroept zich hiervoor op het ‘commissionairsprincipe’ (d.w.z. het optreden als ‘tussenpersoon’) en stelt dat de huurder, door het doorrekenen van de aannemingskosten, wordt geacht zelf een dienstprestatie te hebben verricht voor de verhuurder. Deze zienswijze van de fiscus werd reeds bevestigd door de rechtbank van eerste aanleg en door het Hof van Beroep. In een arrest van 15 maart 2013 kwam het Hof van Cassatie echter tot een andere conclusie. Het Hof stelde namelijk dat het ‘commissionairsprincipe’ niet kan worden toegepast omdat de huurder de werken uitvoerde in het kader en het belang van zijn eigen activiteiten. De werken gebeurden bijgevolg niet voor rekening van de verhuurder, wat voor de toepassing van de commissionairsfictie noodzakelijk is.

    Dit standpunt van het Hof van Cassatie wordt nu tegengesproken door het Europees Hof van Justitie (HvJ 26 september 2013, C-283/12). Het Hof gaat niet in op de toepassing van het ‘commissionairsprincipe’ maar stelt eenvoudigweg dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de uitgevoerde werken en de ‘gratis’ huurperiode. Bovendien moet volgens het Hof ook het toekomstig voordeel van de verhuurder in rekening worden genomen. Bijgevolg betreft het een dienstprestatie waarover BTW verschuldigd is.

    Het Hof gaat evenmin in op de aard van de dienstprestatie: betreft het een doorrekening van aannemingswerk, waardoor mogelijk de verlegging van heffing van toepassing is, of betreft het een algemene dienst die bestaat in ‘het toekennen van een voordeel’. Dit onderscheid is van belang omdat de fiscus de BTW in principe slechts kan navorderen bij degene die er ‘schuldenaar’ van is (wat in het eerste geval, bij toepassing van de verlegging van heffing, de verhuurder is en in het tweede geval, op grond van de gewone BTW-regels, de huurder).

    Mocht u de intentie hebben een huurder werken te laten uitvoeren in het gehuurde pand, is het in ieder geval aan te raden in ruil daarvoor geen huurvrijstelling te voorzien maar eerder te kiezen voor een vergoeding op het einde van het contract. In dit geval meent de fiscus immers dat er geen sprake is van een dienstprestatie en kunnen er ook geen BTW-discussies ontstaan.


    De advocaat en de BTW: nieuwe regels vanaf 1 januari 2014

    Met de Wet van 30 juli 2013 (BS 1 augustus 2013, 2e ed.) wordt de BTW-vrijstelling voor advocaten opgeheven met ingang van 1 januari 2014. Diensten van advocaten zullen bijgevolg vanaf die datum aan 21% BTW onderworpen moeten worden, ongeacht of zij het beroep uitoefenen als natuurlijk persoon of als rechtspersoon. Deze BTW-plicht is algemeen en geldt, op een aantal uitzonderingen na (m.n. wordt voor o.a. bepaalde bemiddelingsdiensten en activiteiten van voorlopig bewindvoerder nog een vrijstelling voorzien), voor alle diensten verricht door advocaten. De BTW-plicht geldt bovendien ongeacht of de diensten worden geleverd aan ondernemingen dan wel aan particulieren.

    De nieuwe regeling wordt toegelicht in een Circulaire van 20 november 2013 (Circ. Nr. AAFisc 47/2013 E.T. 124.411). Uit deze circulaire blijkt onder meer dat een administratieve tolerantie wordt ingevoerd voor advocaat-vennoten (natuurlijke personen of rechtspersonen) die hun advocatenactiviteit volledig hebben ingebracht in een advocatenvennootschap die, op grond van de nieuwe regels, periodieke BTW-aangiftes zal indienen. Voor deze advocaat-vennoten eist de administratie de BTW-identificatie niet. Gewone advocaat-medewerkers en advocaat-stagiairs daarentegen, zullen zich wel verplicht moet registreren voor de BTW en zullen in principe hun diensten aan hun kantoor van tewerkstelling moeten factureren met 21% BTW (tenzij men gebruik maakt van het systeem van de self-billing).

    Verder is in de circulaire een bijzondere overgangsregeling opgenomen voor advocatendiensten die op 31 december 2013 nog niet volledig zijn voltooid. Zo zal het deel van het ereloon dat betrekking heeft op een dienstprestatie die materieel werd verricht vóór 1 januari 2014 toch nog vrijgesteld zijn van BTW op voorwaarde dat uiterlijk op 31 januari 2014 een gedetailleerde factuur wordt uitgereikt waarin de prijs wordt opgesplitst én een deel van die prijs duidelijk kan toegerekend worden op de diensten verricht vóór 1 januari 2014.

    Ook op voorschotten die betaald worden vóór 31 december 2013, en die betrekking hebben op diensten die verricht zullen worden ná 31 december 2013, blijft de BTW-vrijstelling van toepassing, op voorwaarde dat er geen sprake is van misbruik. Men gaat er van uit dat er geen sprake is van misbruik wanneer maximaal 25% van het uiteindelijke ereloon wordt vooruitbetaald.


    ‘Fiscale Vereenvoudigingswet’: wat zijn de wijzigingen op vlak van BTW?

    Op 24 oktober 2013 heeft de Ministerraad een voorontwerp van wet ‘houdende diverse fiscale bepalingen’ goedgekeurd. Op het vlak van BTW zou het volgende worden gewijzigd:

    Het drempelbedrag voor toepassing van de BTW-vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, dat vandaag 5.580,00 EUR bedraagt, zou slechts worden opgetrokken naar 15.000,00 EUR en niet naar 25.000,00 EUR, zoals eerder werd meegedeeld (zie ook Nieuwsbrief juni 2013); De drempel voor het indienen van maandelijkse BTW-aangiftes zou verhoogd worden van 1.000.000,00 EUR omzet naar 2.500.000,00 EUR omzet. Hierdoor zou ongeveer 30% van de BTW-belastingplichtigen die vandaag een maandelijkse BTW-aangifte indienen, kunnen overschakelen naar een kwartaalaangifte. Dit zou de administratieve vereenvoudiging, zowel bij de BTW-administratie als bij de BTW-belastingplichtigen, ten goede moeten komen.



  • SOCIAAL

    Bestuur van een Belgische vennootschap vanuit het buitenland? Verzekeringsplicht is weerlegbaar!

    Tot voor kort moesten bestuurders van een Belgische vennootschap, woonachtig in het buitenland, zich steeds aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. Zelfs bij uitoefening van een onbezoldigd mandaat gold een verplichte aansluiting. Dit, terwijl bestuurders die inwoner zijn van België, de verzekeringsplicht kunnen weerleggen wanneer zij aantonen dat het mandaat onbezoldigd is. Deze ongelijkheid wordt sinds kort weggewerkt door een arrest van het Europees Hof van Justitie. Ook onbezoldigde buitenlandse bestuurders moeten hun aansluitingsplicht bij een sociaal verzekeringsfonds kunnen weerleggen.

    Vooreerst mag de bestuurder noch een technische of commerciële activiteit uitoefenen binnen de vennootschap, noch de enige zaakvoerder of werkend vennoot zijn. Als u hieraan voldoet, kan u de verzekeringsplicht weerleggen door ofwel aan te tonen dat de vennootschap niet vanuit België wordt bestuurd, een mogelijkheid die in het verleden ook reeds bestond, ofwel door de feitelijke en juridische kosteloosheid van het mandaat te bewijzen. De eerste mogelijkheid is niet evident en is enkel van toepassing wanneer men een mandaat uitoefent in een Belgische inrichting van een vennootschap die onderworpen is aan de belasting der niet-inwoners én op voorwaarde dat u niet de wettelijke vertegenwoordiger bent. De tweede manier is eenvoudiger. Hierbij dient aangetoond te worden dat het mandaat zowel in rechte als in feite onbezoldigd is. De juridische kosteloosheid houdt in dat in de publicatie van de benoeming in het Belgisch Staatsblad ondubbelzinnig wordt vermeld dat het bestuurdersmandaat onbezoldigd is. De feitelijke kosteloosheid impliceert dat de vennootschap niets mag uitkeren aan de bestuurder dat als beroepsinkomen wordt beschouwd (bezoldiging, voordelen alle aard,).