Lenaerts-Heremans & CoLenaerts-Heremans & Co
Uw contact

nieuwsbrief@lenaerts-heremans.be





ACTUEEL

BEDRIJFSPROFIEL

ACCOUNTANTS

BELASTINGADVISEURS

NIEUWSBRIEF

MEDEWERKERS

JOBS

VERWANTE LINKS

CONTACT

HOME

Nieuwsbrief

Download de Nieuwsbrief Download de Nieuwsbrief

Nieuwsbrief januari 2011








  • PERSONENBELASTING

    Aanvullende gemeentebelasting: de zaak Dijkman

    In een recent arrest werd België veroordeeld door het Europees Hof van Justitie (Dijkman, C-233/09, 1 juli 2010).

    De Belgische fiscale behandeling van door natuurlijke personen ontvangen interesten en dividenden verschilt naar gelang ze voortkomen uit een Belgische of buitenlandse bron.

    Interesten of dividenden ontvangen uit Belgische bron zijn onderworpen aan Belgische bronheffing. Deze bronheffing geldt meteen als eindheffing (de zogenaamde “bevrijdende roerende voorheffing”). De ontvanger dient deze interesten of dividenden niet meer op te nemen in zijn aangifte personenbelasting.

    Interesten of dividenden ontvangen uit een buitenlandse bron kunnen in principe niet genieten van het systeem van de bevrijdende roerende voorheffing. Zij dienen daarom te worden opgenomen in de aangifte personenbelasting. Uitzondering hierop vormt de situatie waarin deze buitenlandse inkomsten worden geïnd via een Belgische tussenpersoon, zoals een Belgische financiële instelling. Deze Belgische financiële instelling is er dan immers toe gehouden de bevrijdende roerende voorheffing in te houden.

    De in de aangifte opgenomen interesten of dividenden uit buitenlandse bron worden belast aan een afzonderlijk tarief (gelijk aan het tarief van bovenvermelde bevrijdende roerende voorheffing). Daarenboven is op deze inkomsten ook nog eens aanvullende gemeentebelasting verschuldigd. Interesten en dividenden ontvangen uit buitenlandse bron worden bijgevolg zwaarder belast dan deze ontvangen bij een Belgische bron.

    In het arrest Dijkman heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld dat deze verschillende fiscale behandeling strijdig is met het Europees vrij verkeer van kapitaal.

    Als gevolg van deze uitspraak zal België dan ook geen aanvullende gemeentebelasting meer mogen heffen op interesten of dividenden afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ( EER ). De verplichting om dergelijke inkomsten op te nemen in de aangifte personenbelasting blijft wel overeind.

    De belastingdienst heeft inmiddels aangekondigd zich bij de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie neer te leggen. Wat de aangiftes over inkomsten 2009 betreft doet er zich echter een praktisch probleem voor. Het aangifteformulier maakt immers geen onderscheid tussen roerende inkomsten van binnen de EER en daarbuiten. De belastingdienst heeft dan ook aangekondigd dat zij in principe bij het vestigen van de aanslag de gemeentebelasting wél zal heffen. Het is dan aan de belastingplichtige om eventueel ten onrechte geheven gemeentebelasting terug te vragen. Om die reden is het belangrijk uw aanslagbiljet tijdig te laten controleren. In samenspraak kan dan worden besloten of verdere stappen moeten worden gezet.

    Men mag verwachten dat dit probleem naar de toekomst zal worden opgelost. Wellicht zal het aangifteformulier worden gewijzigd zodat duidelijk kan worden aangegeven welke interesten en dividenden hun oorsprong hebben binnen de EER en welke daarbuiten.



  • VENNOOTSCHAPSBELASTING

    Herkwalificatie van interest in dividend

    De rente die een vennootschap toekent aan bepaalde categorieën van bedrijfsleiders of aandeelhouders/natuurlijke personen (alsook hun echtgenoot of wettelijke samenwonende partner of minderjarige kinderen) kan onder bepaalde voorwaarden worden geherkwalificeerd in een dividend. Een dergelijke herkwalificatie brengt een aantal fiscaalnadelige gevolgen met zich mee. Zo is een dividend niet fiscaal aftrekbaar in hoofde van de vennootschap. Bovendien wordt een natuurlijk persoon in een Belgisch context, in beginsel, zwaarder belast op een ontvangen dividend dan op ontvangen rente.

    Herkwalificatie is evenwel enkel mogelijk wanneer de rente bepaalde grenzen overschrijdt en indien de betreffende rente wordt toegekend op een geldlening. Onder geldlening moet in dit verband worden verstaan: een contract waarbij de uitlener geld overmaakt aan de lener ten einde die laatste in staat te stellen er gebruik van te maken onder de verplichting dit geld op het overeengekomen tijdstip terug te geven aan de uitlener.

    Het bestaan van een lening veronderstelt met andere woorden het overmaken van een geldsom. In het scenario waarbij een bedrijfsleider een goed verkoopt aan zijn vennootschap met uitstel van betaling en waarbij de verkoopprijs in rekening-courant wordt geboekt, vindt geen materiële afgifte van een geldsom plaats. Op basis van deze vaststelling werd tot voor kort dan ook algemeen aangenomen dat een uitstel van volledige betaling in regel geen geldlening is door de verkoper aan de koper (zodat een herkwalificatie van betaalde rente in dividend niet mogelijk is ook al overschrijdt deze de hoger aangehaalde grenzen). Dit principe werd trouwens ook met zoveel woorden bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass., 20 mei 2010).

    Een recent arrest van het Hof van Cassatie (Cass., 15 oktober 2010) toont echter aan dat voorzichtigheid in dit soort scenario’s geboden blijft:

    Een bedrijfsleider verkocht een aandelenpakket aan zijn vennootschap. De verkoopovereenkomst voorzag dat de koopprijs via de rekening-courant van de bedrijfsleider moest worden geboekt. De vennootschap betaalde rente op de in rekening courant geplaatste vordering.

    Volgens de bodemrechter (het Hof van Beroep van Antwerpen) was het de bedoeling van de partijen om onmiddellijk de verkoopprijs voor de aandelen ter beschikking te stellen van de vennootschap bij wijze van rentedragende geldlening. Deze intentie bleek volgens de rechter niet uit de verkoopovereenkomst al zodanig. Maar kon er wel uit worden afgeleid indien deze overeenkomst samen met een aantal bijkomende elementen werd beschouwd.

    De bijkomende elementen waren de volgende:
    Het Hof van Cassatie heeft de uitspraak van het Hof van Beroep van Antwerpen bevestigd. Dit arrest toont ook aan dat met de grootste omzichtigheid moet worden gehandeld in gevallen waarin de overdracht van goederen door een bedrijfsleider of een aandeelhouder/ natuurlijke persoon aan zijn vennootschap middels rekening-courant wordt geregeld. In een dergelijk geval moet uiteraard voldoende zorg worden besteed aan het opmaken van de overeenkomst. Dit volstaat echter niet. Ook bij de verdere implementatie moet immers worden vermeden dat er feitelijke elementen ontstaan die erop kunnen wijzen dat het de bedoeling was om een geldlening toe te staan. Zo niet bestaat het risico dat de belastingdienst (mits ook aan alle andere voorwaarden is voldaan) met succes kan overgaan tot een herkwalificatie van rente in dividend.


    Voorziening Vakantiegeld

    De voorzieningen voor het vakantiegeld die worden opgenomen in de balansen per 31 december 2010 met het oog op uitbetaling in 2011, mogen als beroepskost worden beschouwd in zoverre zij niet meer bedragen dan:

    18,8% van de vaste en veranderlijke bezoldigingen die in 2010 zijn toegekend aan bedienden die het voordeel van de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers genieten; 10,27% van 108/100 van de lonen die in 2010 zijn toegekend aan werklieden en leerlingen die het voordeel van dezelfde wetgeving genieten.


    Invoering eenvormig tarief roerende voorheffing?

    In principe bedraagt het tarief roerende voorheffing op de uitkering van dividenden 25%, doch onder bepaalde voorwaarden wordt dit tarief verlaagd naar 15%. Op reserves die worden uitgekeerd naar aanleiding van de liquidatie van de vennootschap is “slechts” 10% roerende voorheffing verschuldigd.
    Het gerucht gaat echter al enige tijd de ronde dat de tarieven roerende voorheffing zullen worden aangepast naar een eenvormig tarief van 20%.

    Voor vennootschappen die vandaag dividenden kunnen uitkeren aan het verlaagd tarief van 15% roerende voorheffing en voor vennootschappen die plannen te liquideren zou een wetswijziging die het tarief verhoogt tot 20%, slecht nieuws zijn.

    Om uit te maken of op deze mogelijke wijziging geanticipeerd kan worden door vandaag nog zoveel mogelijk opgepotte reserves uit te keren, dient ook met andere factoren rekening gehouden te worden, zoals onder andere de notionele interestaftrek. Deze wordt immers berekend op het (gecorrigeerd) eigen vermogen van de vennootschap. Indien men alle reserves uitkeert, zal de berekeningsbasis voor de notionele interestaftrek dalen met alle gevolgen van dien. Verder is het mogelijk dat het verlaagd tarief vennootschapsbelasting verloren gaat bij de uitkering van een hoog dividend.

    Ieder dossier zal op zich bekeken moeten worden om de meest optimale situatie te bepalen. Bovendien weze het herhaald dat deze mogelijke aanpassing tot op heden niet meer dan een gerucht is en dat het dus niet zeker is dat een en ander effectief wet zal worden.



  • BTW

    Voordelen van alle aard niet langer onderworpen aan BTW

    Op 24 september 2010 is een wetsontwerp goedgekeurd waarmee de Belgische wetgeving wordt aangepast aan Richtlijn 2009/162/EU van de Raad van Europa van 22 december 2009 (PB L 15 januari 2010). Deze richtlijn brengt enkele wijzigingen aan aan Richtlijn 2006/112/EG, beter gekend als “de BTW-richtlijn”.

    Één van de aanpassingen heeft betrekking op het recht op aftrek van BTW, geheven op de aanschaf van bedrijfsmiddelen (bv. onroerende goederen, bedrijfswagens, ) die tevens gedeeltelijk voor privédoeleinden worden aangewend.

    Het recht op aftrek zal voor deze bedrijfsmiddelen van bij het begin beperkt moeten worden in functie van de beroepsmatige aanwending. Wijzigingen in het privégebruik moeten worden rechtgezet via het stelsel van de herzieningen.

    Deze regel treedt in werking op 1 januari 2011.

    De wijziging komt er naar aanleiding van rechtspraak van het Hof van Justitie dat in diverse arresten (o.a. het Seeling-arrest van 8 mei 2003, C-269/00) stelde dat een belastingplichtige recht heeft op volledige aftrek van BTW wanneer hij een bepaald goed in zijn bedrijfsvermogen wenst op te nemen. Indien het goed niet volledig beroepsmatig wordt aangewend, dient weliswaar over het privégebruik BTW gerekend te worden. De Belgische administratie heeft zich echter steeds tegen deze regeling verzet en wordt nu bijgetreden door de gewijzigde Europese regelgeving.

    De gewijzigde regelgeving heeft tot gevolg dat er vanaf 1 januari 2011 geen BTW meer verschuldigd is op het voordeel alle aard dat bestaat in het privégebruik van bedrijfsmiddelen. Immers, wanneer de aftrek van voorbelasting op het ogenblik van aankoop beperkt wordt, kan het later privégebruik evenmin nog aan BTW worden onderworpen. Hiertoe wordt artikel 19 §1 van het WBTW aangepast.

    Wat gebouwen betreft zijn de nieuwe regels o.i. praktisch toepasbaar. Immers, in de meeste gevallen zal de grens tussen het beroepsmatig en het privégebruik duidelijk te trekken zijn op basis van de gebruikte oppervlakten.
    Echter, voor andere bedrijfsmiddelen, zoals een bedrijfswagen of laptop, wordt het heel wat complexer. Zo rijst bij personenwagens de vraag of de aftrekbeperking van BTW tot 50%, die reeds bestond (artikel 45 §2 WBTW), zich verhoudt tot de nieuwe aftrekbeperking die zal ingevoegd worden in een nieuwe paragraaf 1, quinquies van artikel 45 WBTW. Moet de BTW eerst beperkt worden tot 50% en nadien nogmaals beperkt worden in functie van het privégebruik? Of moet enkel de 50%-beperking worden toegepast wanneer het beroepsgebruik meer bedraagt dan 50%? En wat als de werknemer een vergoeding betaalt voor zijn privégebruik?

    Dit zijn vragen die vooralsnog onbeantwoord blijven. Wellicht zal de administratie haar standpunten bekend maken in een nog uit te vaardigen Aanschrijving.


    Verlaagd BTW tarief (6% voor woningen ouder dan 5 jaar) : verlengd tot 30 juni 2011

    In principe zou de tijdelijke BTW tarief verlaging (6 % BTW voor renovatiewerken aan woningen ouder dan 5 jaar) per einde 2010 vervallen. Deze tariefverlaging werd zo’n tien jaar geleden ingesteld voor zgn. arbeidsintensieve diensten.

    Zo ook voor werken aan onroerende goederen onder de volgende voorwaarden:

    De woning moet ouder zijn dan vijf jaar en hoofdzakelijk als privé woning gebruikt worden
    Deze maatregel wordt per 1 januari 2011 verlengd met zes maanden, nl. tot 30 juni 2011.

    Er gaan stemmen op om de maatregel om te zetten naar een permanente maatregel, maar dit kan vandaag nog niet worden bevestigd. Wellicht in een volgende nieuwsbrief meer daarover.


    BTW over gronden met ingang 2011

    Tot 31 december 2010 was over de verkoop van een nieuw gebouw enkel BTW verschuldigd op de bouwwerken, op de verkoop van het terrein was 10% registratierecht verschuldigd.

    Met ingang van 1 januari 2011 dient bij een gelijktijdige overdracht door eenzelfde persoon van een nieuw gebouw en het bijhorende terrein ook over de waarde van dit terrein BTW aangerekend te worden, m.a.w. wanneer door eenzelfde persoon een terrein samen met een nieuwbouw wordt overgedragen, is de BTW over het geheel (21% BTW) verschuldigd. Voor gebouwen die niet meer als nieuw aanzien kunnen worden, zal de regeling van voorheen, 10% registratierechten over het gebouw en het terrein van toepassing blijven.

    Terreinen die afzonderlijk van een op te richten gebouw vervreemd worden, blijven eveneens onderworpen aan het registratierecht van 10%.

    Deze nieuwe regeling is door België ingesteld als gevolg van een arrest van het Hof van Justitie.

    Ondertussen heeft de BTW-administratie haar richtlijnen uitgeschreven in een recente beslissing. Hierin wordt onder meer verduidelijkt dat wanneer het terrein en het bouwwerk door twee vennootschappen, behorend tot een zelfde groep, verkocht worden, dit geen aanleiding mag zijn om deze vennootschappen te aanzien als eenzelfde persoon. De ene vennootschap mag m.a.w. het terrein vervreemden onder toepassing van het registratierecht, de andere vennootschap kan het bouwwerk factureren onder toepassing van het BTW stelsel. Het nieuwe regime zal hier dus in principe niet van toepassing zijn, mits de vennootschappen consistent hiermede omgaan. Wanneer de opsplitsing ‘verkoop grond’ en ‘verkoop bouwproject’ de ene keer wel ondergebracht wordt bij twee vennootschappen en de andere keer niet in functie van de aftrekbaarheid van de BTW bij de klant, bestaat de kans dat de BTW-administratie misbruik inroept en de opgesplitste handelingen toch als één transactie zal belasten met BTW.

    De verkoop van een terrein tezamen met een nieuw gebouw vanuit twee vennootschappen behorend tot eenzelfde BTW-eenheid zal kennelijk wel onder toepassing van BTW vallen. De BTW-administratie heeft te kennen gegeven dat deze vennootschappen voor BTW-doeleinden dezelfde belastingplichtige uitmaken (hoewel dit juridisch niet helemaal stemt).

    Wanneer een bouwwerk op plan van een nog te bouwen woning / appartement samen met een terrein wordt verkocht (toepassing Wet Breyne), zal in principe de overdracht van het terrein onder toepassing van het registratierecht gebeuren.

    Wanneer een bouwwerk op plan van een in aanbouw zijnde woning / appartement samen met een terrein wordt verkocht, zal in principe de overdracht van het terrein ook onder toepassing van BTW gebeuren. Immers hier gaan de rechten van de verkoper op het terrein zowel als op de bestaande opstal onmiddellijk samen over op de koper.


  • INTERNATIONAAL

    Blik over de grens

    Het Nederlandse Belastingplan 2011 stelt een aantal fiscale wetswijzigingen voor.

    De belangrijkste punten voor 2011 zijn: maatregelen om ondernemerschap en innovatie te bevorderen, en fraude en belastingontwijking tegen te gaan. Alsook het fiscaal aantrekkelijk houden van zeer zuinige auto’s.

    Een volledig overzicht van het Belastingplan 2011 kan worden gevonden op de website van de Nederlandse overheid (www.rijksoverheid.nl).

    Zonder volledigheid na te streven worden twee van deze voorstellen hieronder kort toegelicht.

    Overdrachtsbelasting
    De overdracht van Nederlands onroerend goed is onderworpen aan Nederlandse overdrachtsbelasting. Om misbruiken tegen te gaan wordt een aandelenoverdracht in bepaalde gevallen ook aan deze overdrachtsbelasting onderworpen. Namelijk wanneer het de overdracht van aandelen van een onroerend goed lichaam betreft.

    Kort samengevat kan er op heden slechts sprake zijn van een onroerend goed lichaam (en kan er dus Nederlandse overdrachtsbelasting verschuldigd zijn) als het lichaam voor 70% of meer Nederlands vastgoed bezit.

    Onder de voorstellen van het Belastingplan 2011 is er evenwel al veel sneller sprake van een dergelijk onroerend goed lichaam. Namelijk als de bezittingen van een lichaam voor 50% uit Nederlands en/of buitenlands vastgoed bestaan.

    Bovendien mogen nu bij de bezittingentoets alle bezittingen worden meegeteld. Onder het Belastingplan 2011 moeten sommige bezittingen straks buiten beschouwing worden gelaten. Het effect hiervan is uiteraard dat de 50%-grens eerder wordt bereikt.

    Middelingsregeling
    De Nederlandse belastingwet biedt de mogelijkheid om verschuldigde inkomstenbelasting te laten berekenen over het gemiddelde inkomen van drie jaren. Op die manier kunnen de negatieve gevolgen van grote schommelingen in het inkomen van een belastingplichtige beter worden ondervangen. Immers, het maken van een gemiddelde, gecombineerd met een progressief belastingtarief kan ertoe leiden dat een belastingplichtige in dat geval minder belasting is verschuldigd dan wanneer elk jaar volledig afzonderlijk wordt beschouwd.

    Op dit ogenblik kunnen in principe enkel Nederlandse inwoners een beroep doen op deze regeling. Voor niet-Nederlandse inwoners bestaat die mogelijkheid alleen indien de betrokkene voor de volledige periode de keuze heeft gemaakt om in Nederland als binnenlands belastingplichtige te worden behandeld.

    De rechtspraak heeft deze regeling inmiddels als strijdig met het Europees recht aangemerkt. Om die reden voorziet het belastingplan 2011 dat niet-Nederlandse inwoners die minstens 90% van hun wereldinkomen in Nederland verkrijgen in aanmerking komen voor de middelingsregeling.



  • TOPIC

    Het einde van het bankgeheim?

    Een onderzoekscommissie heeft vastgesteld dat het bankgeheim zoals het vandaag op het vlak van de inkomstenbelastingen bestaat, een sterk beletsel vormt voor een efficiënte bestrijding van de fiscale fraude.

    Vandaag is het immers zo dat de administratie niet gemachtigd is informatie op te vragen bij financiële instellingen met het oog op het belasten van hun cliënten tenzij er concrete elementen bestaan die een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden (artikel 318 WIB/92). Omdat deze “concrete elementen” bijna nooit voorhanden zijn, is het de facto onmogelijk voor de administratie om gegevens op te vragen bij financiële instellingen.

    Om deze situatie te wijzigen werd op 22 november 2010 een wetsvoorstel ingediend “met het oog op de versoepeling van de voorwaarden om inzake inkomstenbelastingen het bankgeheim op te heffen”.

    Het wetsvoorstel houdt een wijziging in van het Wetboek van Inkomstenbelastingen en heeft tot doel de administratie het recht te geven inlichtingen te verzamelen, derden te horen en een onderzoek in te stellen bij financiële instellingen met het oog op het belasten van een welbepaalde belastingplichtige die klant is bij de betreffende financiële instelling.

    Buiten het wetboek van inkomstenbelastingen is het bankgeheim overigens reeds nagenoeg verdwenen in het Belgische fiscaal recht. Zo kan een belastingplichtige zich op het vlak van BTW op geen enkel bankgeheim beroepen en moeten bankiers op het vlak van successierecht de administratie zelfs spontaan op de hoogte brengen van de gegevens van de overledene. Verder kadert ook de afschaffing van de effecten aan toonder tegen 2013 in de beoogde transparantie van het vermogen van belastingplichtigen.

    Ook op internationaal vlak is het Belgisch bankgeheim verdwenen. Sinds 1 januari 2010 geeft België in het kader van de Spaarrichtlijn aan de belastingadministraties van onze buurlanden spontaan de identiteit door van buitenlandse klanten die interesten in ons land hebben ontvangen. Dit is overigens omgekeerd ook het geval. Inwoners van België die interesten ontvangen in het buitenland, bv. Nederland, moeten er op rekenen dat deze informatie wordt meegedeeld aan de Belgische administratie. Luxemburg en Oostenrijk blijven voorlopig wel vasthouden aan hun bankgeheim en kiezen voor een woonstaatheffing in plaats van uitwisseling van gegevens. De Europese druk op deze landen wordt echter hoog.

    De Ecofin Raad heeft bovendien op 7 december 2010 een richtlijn goedgekeurd met betrekking tot de administratieve samenwerking tussen de belastingdiensten van de 27 lidstaten. Het betreft een compromistekst omdat op vraag van Luxemburg en Oostenrijk inkomsten uit beleggingen buiten schot werden gelaten. De richtlijn heeft echter wel betrekking op inkomsten verworven uit loon, pensioen, levensverzekeringen, bestuurders-vergoedingen of verhuring. Inwoners van België die zulke inkomsten verwerven in het buitenland zullen deze inkomsten vanaf volgend jaar niet meer kunnen verbergen voor de fiscus. De Europese lidstaten, inclusief Luxemburg en Oostenrijk, verbinden zich er immers toe met betrekking tot deze inkomsten automatisch gegevens uit te wisselen. Het gevolg van deze richtlijn is dat de gegevensuitwisseling niet meer kan worden beperkt door een bankgeheim binnen de Europese Unie.

    Naar het verleden toe moet, in het kader van bovenstaande, overwogen worden of een fiscale regularisatie van niet aangegeven inkomsten aangewezen is, alvorens een nieuwe regering de tarieven van de regularisatieheffing verhoogt.